Kennisplatform asbest
gerelateerde case
Asbestfeiten; een perspectief op de asbestketen

Asbestfeiten; een perspectief op de asbestketen

Sinds de eerste druk van Asbestfeiten in 2009 is de asbestmarkt nog steeds volop in beweging. Met alle belangrijke ontwikkelingen in wet- en regelgeving in de afgelopen jaren, is het hoog tijd voor dit nieuwe boek: Asbestfeiten; een perspectief op de asbestketen.

'Door bestuurlijk toezicht en handhaving beperken we de risico’s van asbest voor mens en milieu'

Interview uit het Asbestfeiten Magazine met Chris Overmars - Teamcoördinator Bodemtoezicht bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

‘Asbest is iets waar wij regelmatig mee te maken hebben’, stelt Chris Overmars, teamcoördinator bodemtoezicht bij de omgevingsdienst noordzeekanaalgebied (od nzkG). ‘op het gebied van asbest vervult de omgevingsdienst een belangrijke rol en we beschikken over veel deskundigheid. Onze vergunningverleners beoordelen meldingen en toetsen asbestonderzoeken en -plannen. Vervolgens controleren onze inspecteurs de gemelde locaties, de verantwoorde afvoer van asbest en de vrijgaven, eindbemonsteringen en evaluaties. door middel van surveillance controleren we op illegale saneringen.’

Toezicht (tot) op de bodem
Het reguliere werkgebied van de OD NZKG bestaat uit de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaandam. Als teamcoördinator Bodemtoezicht bij de omgevingsdienst ondersteunt Overmars de teammanager en de inspecteurs die toezicht houden op de kwaliteit van de bodem. ‘Het is onze taak om door bestuurlijk toezicht en handhaving bij werkzaamheden in en sanering van vervuilde bodem de risico’s voor mens en milieu zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast zien wij toe op de gevolgen voor het functioneel gebruik van de bodem door nieuwe toepassingen met grond, slib en bouwstoffen te reduceren’, legt Overmars uit.

Asbestbeheergroep Amsterdam
Naast zijn functie bij de omgevingsdienst is Overmars ook voorzitter van de gemeentelijke Asbestbeheergroep Amsterdam (ABG). ‘In die rol heb ik contact met vergunningverleners en bouw- en milieu-inspecteurs en diverse specialisten bij de GGD, brandweer, Dienst Wonen en het Afvalbedrijf. De ABG brengt kennis en kunde bij elkaar op het gebied van asbest en ondersteunt de informatievoorziening over asbest’, aldus Overmars.

Weinig impact
Uit de Nationale AsbestEnquête 2017 blijkt dat de recente ontwikkelingen in de wet- en regelgeving weinig directe impact hebben op handhavers. Overmars kijkt hier niet van op: ‘De recente veranderingen in onderzoek, normen, procedures en richtlijnen voor het bedrijfsleven hebben niet tot een ander toezicht- en handhavingsbeleid geleid. Bij de toetsing daarentegen, wordt er wél rekening mee gehouden. Daarbij kijkt de Inspectie SZW vooral naar de gevolgen van werken met asbest voor werknemers. Omgevingsdiensten focussen op de effecten op het milieu en de omgeving.’

Aanpak asbestdaken
Uit de enquête blijkt dat nog niet alle gemeenten en regio’s actief bezig zijn met het asbestdakenvraagstuk. 11% heeft beleid ontwikkeld en 72% is hiermee bezig. Overmars: ‘Mijn ervaring is dat gemeenten zelf bepalen wanneer en hoe het toekomstige verbod omgezet moet worden in beleid. Wij zijn als omgevingsdienst met onze opdrachtgevers in gesprek over hoe we het beste invulling kunnen geven aan dit toekomstige verbod ten aanzien van toezicht en handhaving. Ik vind dat ook maatschappelijke instanties in de aanpak van asbestdaken een belangrijke rol moeten gaan spelen en initiatieven moeten nemen. Dan doel ik bijvoorbeeld op woningcorporaties en brancheorganisaties in de land- en tuinbouw. Mooi voorbeeld is het Havenbedrijf Amsterdam dat al concreet actie heeft ondernomen op het gebied van asbestrisico- inventarisaties en het stimuleren van verwijdering.’ 

Ongewenste effecten
‘Het verbod kan naar mijn mening helaas ook ongewenste effecten hebben’, gaat Overmars verder. ‘De aandacht, investeringen en toezichtcapaciteit voor het verbod moet niet ten koste gaan van het belang van verwijdering van de nog niet verboden en niet-hechtgebonden asbesttoepassingen zoals spuitasbest, die mogelijk risico’s voor de volksgezondheid kunnen veroorzaken. Ook kan het verbod, als gevolg van onbegrip en kosten, leiden tot meer illegale saneringen en het dumpen van asbesthoudend materiaal door malafide bedrijven of particulieren. Dit kan zorgen voor ongewenste blootstelling en kosten voor terreineigenaren en overheden, zoals nu ook gebeurt bij drugsafval.’

Kansen
Gelukkig ziet Overmars ook een positieve kant: ‘Het asbestdakenverbod biedt naast plichten ook kansen. Naast het voorkómen van ongewenste verspreiding en blootstelling door verweerde asbestdaken, geeft de eventuele dakvervanging natuurlijk een stimulans voor de aanleg van zonnepaneeldaken. Een andere kans is om door middel van meer betrouwbare validatie-data tot een verantwoorde verlaging van risicoklasse-indeling voor asbestdaken te komen. Ook kan het leiden tot versnelde sloop van onbruikbare gebouwen. Bovendien kan het aanbod van grotere hoeveelheden asbesthoudend materiaal mogelijk ook bijdragen aan een versnelling van innovatieve verwerkingsmethoden.’

Bodemverontreiniging door asbest
Overmars is van mening dat bij de sanering van asbestdaken ook rekening moet worden gehouden met lokale bodemverontreiniging. ‘Afstroming van regenwater met asbestvezels van verweerde daken kan de bodemkwaliteit beïnvloeden. Daarom is het van groot belang dat gecertificeerde saneringsbedrijven zich ook richten op de bodemaspecten. De eindcontrole zal volgens de Wet bodembescherming wel altijd door bodemanalyse moeten plaatsvinden. Deze pragmatische werkwijze zou ook bij verwijdering van asbesthoudend afval op de bodem moeten worden toegepast: bijvoorbeeld bij kruipruimten en keldergewelven, maar ook bij verspreiding van asbest door brand, explosie of vandalisme.’

Verplicht bodemonderzoek
De Raad van State heeft eind 2016 bepaald dat ook bij de geringste hoeveelheid aangetroffen puindeeltjes in de grond áltijd bodemonderzoek naar asbest moet worden gedaan. Overmars bevestigt: ‘Bij een indicatie van puin in grond wordt regelmatig geen of onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van asbest. De vernieuwde NEN 5707 voor asbest in bodem biedt hiervoor goede handvatten. Ik vind ook dat op dit moment goed onderzoek moet worden gedaan naar asbest bij het aantreffen van puin. Een brede analyse op een dataset van asbestonderzoeken in graafgaten en sleuven geeft naar mijn mening meer inzicht in de relatie tussen asbest en de mate van puin. Mijn eerste indruk is dat daarbij geen eenduidige link naar de aan- of afwezigheid van asbest te leggen is en dat dit lokaal en regionaal sterk kan variëren. Ik pleit ervoor om al op voorhand rekening te houden met de kans op puin. Daardoor kunnen de veldwerkzaamheden voor NEN 5707 en NEN 5740 zo efficiënt mogelijk worden gecombineerd. Om vervolgens voor alle aanbieders een gelijk speelveld te creëren, is een goede en uniforme afstemming tussen toezichthoudende instanties, zoals CI’s, de inspecties en omgevingsdiensten van groot belang.’

Hans de Jong MRICS

13 september 2017 › 779 x bekeken